Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

update: 8-04-2009

Terug naar boeken

Das Harmonium in Deutschland

Großbach: Das Harmonium

Orgel in jüdischer Kultur

Klooster Michaelstein

Liber Amicorum Ahrens

 

 

 

 

 

 

Orgel und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur

Fruehauf  

2005
Georg Olm Verlag
isbn 3-487-12872-1

Titelpagina

Inhoudsopgave

1. Onderzoeksvraag en begrippen ...................................................................... 9
   1.1 Joodse identiteit, tussen traditie en assimilatie in de muziek ...............................9
   1.2 Joodse gemeenten en joodse (liturgische) muziek ...........................................17
   1.3 Bronnen en de stand van het onderzoek .......................................................22
   1.4 Orgels en orgelmuziek in de verandering van de joodse identiteit ........................27

2. Joodse merkwaardigheden - Orgels vóór 1800 ....................................................29
   2.1 Orgels in de joodse literatuur van de vroege renaissance ...................................29
   2.2 Orgels in de Iconografie ..........................................................................32
   2.3 Meschorerim - Voorlopers van de orgelbegeleiding ..........................................33
   2.4 Orgels in synagogen: Praag 16e eeuw - Venetië 17e eeuw ..................................35

3. Orgels in Joodse gemeenten: Tussen "verchristelijking van de liturgie en muzikale vooruitgang. ...............................................................................................41
   3.1 Van liturgische reform naar nieuwe muzikale identiteit .....................................42
   3.2 De integratie van orgelbouw in bestaande tradities .........................................62
        3.2.1 Voortreffelijke nieuwe uitvindingen ....................................................64
        3.2.2 Elzasser-nieuw duitse Orgel reform .....................................................68
        3.2.3 De Duitse "Orgelbewegung" ...............................................................76

Intermezzo: De Organist in de synagoge ..............................................................89

4. Over orgelmuziek in joodse gemeenten ..........................................................101
   4.1 Van Lewandowski naar Schalit: over stilistische ontwikkelingen van composities ......106
         4.1.1 Breuk met de traditie ....................................................................106
         4.1.2 Muzikale emancipatie ....................................................................111
         4.1.3 De renaissance van de traditie ..........................................................135
   4.2 Afbraak en vernietiging: Orgelmuziek in het geestelijke ghetto ...........................151
         4.2.1 Heroriëntering op autenthiciteit ........................................................159
         4.2.2 Emigratie van uit het spirituele ghetto ................................................167
         4.2.3 Doorbraak van het moderne jodendom ................................................176

5. Epiloog: Verspreiding en invloed van de emigratie ..............................................193
   5.1 De grenzen van de 'onbegrensde mogelijkheden in de V.S.? ................................195
   5.2 Israel: De brug tussen Oost en West .............................................................208

6. Tussen assimilatie en dissimilatie:
    "De joodse gemeente onderweg naar de moderne tijd" .........................................223

Bijlagen ....................................................................................................229

Documentatie en bronnen ...............................................................................231

Orgels in synagogen - Disposities en organisten ......................................................243

Orgel of Harmonium .....................................................................................278

Harmoniums in synagogen ...............................................................................280

Orgelmuziek van joodse gemeenten ..................................................................283

Beknopte biografiën .....................................................................................295

Bronvermeldingen & Literatuur ........................................................................305

Afkortingen, Tabellen, Afbeeldingen en transliteratie van Hebreeuws ...........................327

Plaatsregister .............................................................................................329

Namenregister ............................................................................................333


 

 

Over dit boek zijn vele recensies geschreven.

recensies

Link

De bespreking in Vox Humana

 

Orgel & Harmonium in de Synagoge

© 2007 Frans van der Grijn


Vernietiging van de Tempel in Jeruzalem

Onze moderne kalender vertelt ons dat we ons bevinden in het voorjaar in het jaar 70.
We staan in Jeruzalem. Bijna een jaar geleden trekt de Romeinse veldheer Titus Flavius Vespasianus I ten strijde in Palestina. Het bericht bereikte de legermacht dat keizer Nero de dood had gevonden. Een politieke strijd breekt aan om het keizerschap. Deze politieke strijd duurt bijkans een jaar. Vespasianus wordt de nieuwe keizer. Het legioen in Palestina staakt tijgelijk de strijd. De zoon van de nieuwe keizer, Titus Flavius Vespasianus II, wordt de veldheer. Later zal hij zijn vader opvolgen als keizer onder de naam Titus.

De aanval op de tempel

Enkele dagen geleden heeft Titus de aanval geopend op de zwaar belegerde stad Jeruzalem. Ondanks de aanval gaat de Tempeldienst dagelijks door. De westenwind drijft de geur van wierook en de brandoffers over de muur, het Kedrondal in. Het doordringende en heldere geluid van de ramshoorn schalt over de Romeinse legerplaats. De Romeinse soldaten zijn vol vuur. Een jaar hebben ze moeten wachten om te tonen dat het Romeinse leger superieur is aan de Joden. Het gehele land, uitgezonderd enkele vestigingen als Massada, is in handen van de Romeinen.

Jozef ben Matitjahoe (Jozef zoon van Matthias)

Jozef is een zoon uit een priesterfamilie die de Tempeldienst in Jeruzalem verzorgden. Hij doet volop mee aan de opstand tegen de Romeinen. Maar al vroeg in de opstand wordt hij gevangen genomen. Hij maakt al snel kennis met de veldheer Titus. Deze verleent hem gratie, neemt hem mee naar Rome en biedt hem een inkomen als geschiedschrijver. Voor de Joden is Jozef een verrader, voor hedendaagse historici is hij een geschiedschrijver van onschatbare waarde. Wij kennen hem onder zijn Latijnse naam Flavius Josephus. Dat hij deze naam Flavius draagt, toont dat hij geadopteerd is door keizer Titus. Flavius doet tijdens het beleg van Jeruzalem zelfs een poging de Joden over te halen de strijd op te geven. Hoongelach is zijn deel.

De definitieve val van de Tempel

Begin augustus 70 wordt Jeruzalem ingenomen. Op 19 augustus slingert een Romein een brandende fakkel in de vertrekken rondom het “Heilige der Heilige”. Met luid geraas stort kort daarna de tempel in.
Jeruzalem is verwoest, de Tempeldienst ten einde, het Joodse volk blijft verbijsterd achter. De ziel uit het volk weggesneden.
De rabbijnen kondigen een permanente staat van rouw af.
Zij nemen een ingrijpend besluit:

“Nooit meer zal een muziekinstrument klinken in een Synagoge.”

De stilte van 17 eeuwen

Als vrijwel iedereen leefde ik in de veronderstelling dat het besluit van de rabbijnen kort na het jaar 70 onveranderlijk is gebleven. Het is ruim twee jaar geleden dat mij voor het eerst signalen bereikten over orgels in de synagoge.

Vorig voorjaar zocht ik vanwege verkregen signalen naar orgels in de synagoge. Deze zoektocht kreeg een impuls toen in het Orgel een recensie verscheen van de hand van Wim J. Eradus. Besproken werd de publicatie van de (bewerkte) dissertatie van dr. Tina Frühauf Orgel und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur, uitgegeven bij Georg Olms Verlag te Hildesheim, 2005. Na contacten met dr. Frühauf ontving ik een exemplaar van het boek.

Harmonium in de synagoge

De reden om in dit tijdschrift deze studie onder uw aandacht te brengen, is dat uit het boek blijkt dat - hoewel het in de titel gaat over orgels - in bijna twintig procent van de synagogen in het Duitstalige Europa sprake was van een harmonium.

Kristallnacht

Toen de gesel van het nazisme ongetemd over Europa te keer ging, kreeg de geschiedschrijving er een nieuw begrip bij: “Kristallnacht”. De nacht van 9 november 1938. Enkelen onder ons hebben die nacht bewust meegemaakt.
In zeer korte tijd werd een rijke liberaal-joodse muziekcultuur volledig van de kaart geveegd. Zo grondig uitgewist, dat voor velen de woorden “orgel” (lees hier ook: harmonium) en “synagoge” onverenigbare begrippen zijn geworden.

W.J. Eradus schrijft in 2006 in “het Orgel” in zijn recensie: “Om daar iets tegenover te stellen, heeft de Duitse organiste en wetenschapper Tina Frühauf veel speurwerk naar de verwoeste synagogale orgelcultuur verricht.”

Wetenschappelijk onderzoek

Dr. Frühauf promoveerde in 2001 op het onderwerp “Orgel en Orgelmuziek in de Duits-joodse cultuur.”
Frühauf vertelt in haar studie dat in de synagogale liturgie een tweestemmige vocale begeleiding van de chazzan (voorzanger) gebruikt werd.
Geleidelijk kreeg deze begeleiding steeds meer het karakter van een (feitelijk verboden) instrumentale begeleiding, hoewel het om menselijke stemmen ging. Dr. Frühauf noemt deze begeleiding dan ook de “voorloper van de orgelbegeleiding in de synagoge.”

Orgels als bron van een muziekcultuur.

Het eerste (beschreven) orgel in Europa in een synagoge werd kort na 1594 gebouwd in de nieuwe synagoge van Praag. In de opvolgende eeuw stond in 2 Praagse synagogen een orgel.
Aan het begin van de 19e eeuw ontstaat de Reform-beweging in het Jodendom. Rond 1801 verschijnen orgels in synagogen. Nooit in de orthodoxe stroming, altijd in de gemeenten die deel uitmaken van de Reformbeweging. Deze beweging ontstond in Duitsland, en wordt nu in Nederland aangeduid met de benaming “Liberaal Joodse Gemeente”. De bekende rabbijn Avraham Soetendorp is voor velen ‘het gezicht’ van deze stroming in Nederland. De hierboven genoemde Verlichting wordt in het Jodendom aangeduid als de “Haskala”.

Rond 1818 ontstond in de synagogen onder invloed van de “Haskala’ een volledig vernieuwde liturgie, met Duitstalige prediking, liederen ook in de volkstaal en onder begeleiding van een orgel. Dat dit een richtingenstrijd opleverde, zal niemand verbazen.
De liberale Joden wisten voor sommige problemen aanvaardbare oplossingen te vinden. Op de Sabbath wordt niet gewerkt, dus een organist is een onmogelijkheid. Men stelde niet-joodse organisten aan. Een ander bezwaar, dat het orgel een uiting is van christelijke cultuur, weerlegden de liberalen door te stellen dat de Schotse kerk geen orgels toestond.

Op de “tweede rabbijnenconferentie” in 1845 kwam het probleem van de orgels en de muziekcultuur ter sprake. En enkele jaren later werd het bespelen van een orgel niet meer als arbeid gezien, maar als uiting van kunst. Slechts enkele jaren nadien was de weg vrij en vele synagogen schaften zich een orgel aan. Kleinere synagogen gingen dezelfde weg als vele kerken in ons land in die jaren: Het “orgel” was een harmonium.

Arnold Schönberg

Rond 1900 ontstond een hernieuwde bezinning binnen het Jodendom op de vraag naar de (culturele) identiteit. Groeiende anti-joodse sentimenten vroegen om een bewustzijn van de Joden, om zich aan elkaar verbonden te weten en de collectieve identiteit samen te beleven.
Ook in de muziek in de synagoge ontstond zo een omwenteling. Een van de drijvende krachten daarachter, zo blijkt uit het boek van Frühauf, is Arnold Schönberg geweest.

Inventarisatie van orgels en harmoniums

Het hier besproken boek bevat een zeer uitvoerige lijst met gegevens van alle bekende orgels in synagogen in het Duitse taalgebied. Ook is bekend in welke synagogen een harmonium gebruikt werd.

Orgelliefhebbers hebben altijd al een hang gehad naar het registreren van gegevens. Bouwer, bouwjaar, dispositie, schrijnwerkers, kastenbouwers. Bij harmoniums doet zich dit verschijnsel pas de laatste 30 jaar voor. Het is dan niet verbazingwekkend dat van vrijwel alle orgels de relevante gegevens zijn terug-gevonden, maar van de harmoniums vrijwel niets.
Dr. Frühauf heeft archieven doorgenomen. Zij komt tot een aantal van 45 harmoniums. Van geen enkel instrument zijn gegevens bekend. De meest uitvoerige informatie die we vonden: 1845, Synagoge Heidelberg, dispositie onbekend, 13 registers. (Al is er inmiddels binnen de redactie een gerucht van een “Organor” van de Haagse firma Rippen in een synagoge.)

Anti-climax?

Tijdens het schrijven van dit artikel heb ik lang aangehikt tegen het gevoel van een anti-climax. Ons blad vullen met de mededeling dat er harmoniums waren, maar er niet meer zijn, leek me toe dat me dat niet in dank afgenomen zou worden. Tot ik me realiseerde dat in ons land veel kerken in de 19e eeuw begonnen met een “Serafine-orgel”. Maar bij ons ging het “beter”, hier verdwenen ze door de zijdeur vanwege de stijgende welvaart.
Een gruwelijke ideologie vernietigde bijna geheel een cultuur, waarvoor wij interesse hebben. Zie daarom dit verhaal als een aanklacht dat zowel orgelcultuur als harmoniumcultuur vernietigd werd.
Daarom: koop, lees en huiver als deze materie u boeit.

dr. Tina Frühauf Orgel und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur, uitgegeven bij Georg Olms Verlag te Hildesheim, 2005. isbn -3-487-12872-1  ( € 58,00 )

geraadpleegde bronnen:
W.J. Eradus, boekbespreking, het Orgel, Jrg 102 (2006) nr. 2, pag. 38-40)
W.J. Eradus: ‘Verzamelaar van synagoge orgels’ (Ref. Dagblad (Katern Talent) van 26 okt. 2002)

 

 

Frankfurter Allgemeine Zeitung

Gassmann, Michael.
Frankfurter Allgemeine Zeitung 24 (29 January 2007) page 37. Link to original text:

Das Symbol der Synagogenorgel

In der Pogromnacht des 9. November 1938 drangen Nazis in die Synagoge in Königsberg ein, zertrümmerten die Bänke, zerrten die Tora-Rollen aus dem Schrein, zerrissen die Gebetbücher und stapelten ihre Beute zu einem Haufen in der Mitte des Raumes. Während dessen spielte ein Parteigenosse auf der Synagogenorgel das Horst-Wessel-Lied. Es erklang noch, als der Haufen in Flammen aufging. Erst als das Feuer auch das Instrument erfasste, hatte der Spuk ein Ende.

Jene Nacht bedeutete für die meisten Orgeln in den deutschen Synagogen das Ende. Mit ihrer Verbrennung endete ein wichtiges Stück deutsch-jüdischer Kultur, der Tina Frühauf in ihrer lesenswerten Dissertation ein Denkmal gesetzt hat ("Orgel und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur". Georg Olms Verlag, Hildesheim 2006. 336 S., geb., 58,- [Euro]). Die deutschen Synagogenorgeln waren markante Symbole jüdischer Assimilation, ihre Zerstörung markiert symbolhaft deren gewaltsames Ende.

Frühauf untersucht in ihrer gut strukturierten, mit einem umfangreichen dokumentarischen Apparat ausgestatteten Arbeit über "Orgeln und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur" den Zeitraum zwischen 1810 und 1938; er reicht von der Errichtung der ersten Synagogenorgel in Deutschland 1810 bis zur Zerstörung fast des gesamten Instrumentenbestandes während der Novemberpogrome. Ein kurzer Exkurs über Orgeln in Synagogen vor 1800 lässt erkennen, welch rasante Entwicklung der Orgelbau in Synagogen innerhalb der knapp hundertdreißig Jahre des Untersuchungszeitraums nahm.

Die Autorin erörtert ihr Thema denkbar umfassend. Neben statistische Erhebungen über Instrumente und Kompositionen tritt die Erörterung der theologischen Probleme, die die Einführung von Orgeln in die Synagogen mit sich brachte. Zur Schilderung des Orgelbaus als Ausdruck weitreichender Assimilation gesellt sich ein Bericht über die Bemühungen jüdischer Komponisten, der Orgel ein eigenständig jüdisches Profil zu verleihen. Die Arbeit schließt mit Kapiteln über das emigrationsbedingte Fortwirken deutsch-jüdischer Orgelkultur in Israel und Amerika.

Die methodischen Probleme, die das Thema mit sich bringt, werden von Frühauf benannt. Sie betreffen vor allem die Frage, was "jüdische" Musik überhaupt sei angesichts einer musikalischen Überlieferung, die bis um 1800 fast ausschließlich mündlich erfolgte, angesichts auch einer synagogalen Musikkultur, in die der gregorianische Choral ebenso eingeflossen ist wie das mittelalterliche deutsche Volkslied. Frühauf resümiert: "Wie weltliche, christliche und jüdische Gesänge miteinander verwoben sind, kann in letzter Instanz aufgrund der äußerst dürftigen Quellenlage nicht geklärt werden." Als Fundus jüdischer Musik respektiert die Autorin deshalb jene Musik, die in den jüdischen Gemeinden selbst seit je als integraler musikalischer Bestandteil der Liturgie gilt.

Anhand der Entwicklung der synagogalen Orgelkultur in Deutschland erzählt Frühauf exemplarisch die Geschichte der deutsch-jüdischen Kultur, die eine Geschichte der Assimilierung ist: Der Synagogengottesdienst wurde seit Beginn des neunzehnten Jahrhunderts immer mehr dem protestantischen angeglichen - Chorgesang, Gemeindelied, landessprachliche Predigt -, und schließlich wurde die Orgel eingeführt. Dies brachte Komplikationen mit sich: Es musste geklärt werden, ob Instrumentalmusik im jüdischen Gottesdienst, seit der Zerstörung des zweiten Tempels verboten, überhaupt zulässig und ob die Tätigkeit des Organisten am Sabbat als Arbeit anzusehen sei. Kritiker der liturgischen Anähnelung bekämpften die Orgel als typisch christliches Instrument, Befürworter hielten ihre Einführung für notwendig, weil der neuartige Chor- und Gemeindegesang anders nicht zu steuern sei. Um 1870 bildete sich allmählich ein Konsens zugunsten der Synagogenorgel heraus, aber noch nach 1900 wurde in Einzelfällen (Köln) weiter über sie gestritten.

Die Zeit, die bis zur Pogromnacht blieb, war denkbar kurz. Eine eigenständige jüdische Orgelmusik konnte sich in dieser Frist kaum herausbilden. Tina Frühauf zeigt an Beispielen, welche Strategien entwickelt wurden, um der endlich tolerierten synagogalen Orgelmusik ein eigenes Gepräge zu geben. Dabei ist eine Entwicklung von der vollständigen stilistischen Übereinstimmung mit der zeitgenössischen Musik in der ersten Hälfte des neunzehnten Jahrhunderts hin zur Verwendung jüdisch konnotierter Skalen und Modi zu beobachten. Diese Entwicklung verläuft zeitlich parallel zu der Herausbildung nationaler musikalischer Schulen etwa in Nord- und Ostmitteleuropa oder auch zur Rückbesinnung katholischer Komponisten auf den gregorianischen Choral. Frühaufs These, jüdische Orgelmusik habe sich im Laufe der Zeit immer mehr von der christlich geprägten unterschieden, ist also triftig in Bezug auf das verwendete musikalische Material, aber nicht unbedingt hinsichtlich der kompositorischen Verfahren, mit denen dieses Material verarbeitet wurde.

Im künstlerischen Ghetto des 1933 gegründeten "Jüdischen Kulturbunds" verstärkten Komponisten noch einmal ihre Bemühungen, ein typisch jüdisches Idiom zu finden. Da ihre Musik nicht gedruckt werden durfte, muss sie heute weithin als verschollen gelten. Als die Schikanen unerträglich wurden, emigrierten die Organisten, soweit irgend möglich; ihre Instrumente wurden zerstört. Heute gibt es gerade einmal zwei Orgeln in deutschen Synagogen. Die Kultur deutsch-jüdischer Orgelmusik ist (vorerst?) erloschen.

MICHAEL GASSMANN

 

Buchtitel: Orgel und Orgelmusik in deutsch-jüdischer Kultur
Buchautor: Frühauf, Tina

 

 

Terug naar Literatuur