Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

update: 21-11-2011

NEDERLANDS

Eén in lied en leven

Op 27 november 1997 promoveerde Jan Smelik te Groningen tot doctor in de Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Groningen.
Zijn promotores waren Prof.dr. G.J. Schutte
en
Prof.dr. J. Roldanus.
Zijn proefschrift draagt de titel:

" Eén in lied en leven.
Het stichtelijk lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938."

zie ook zijn website hier

 

 

 

 

 

 

 

Het harmonium en het stichtelijke lied

Frans van der Grijn © 2008

Het harmonium en het stichtelijke lied, meestal concreet vertaald met: "Zingen bij het harmonium."
Een absolute tophit op de lijst van reacties zodra je in het openbaar het woord ‘harmonium’ durft te gebruiken. Enerzijds mensen die meteen enthousiaste verhalen vertellen, anderzijds de groep mensen die even zo enthousiast beginnen met hoorbaar overdreven klachten. Alsof de huiskamer waar het harmonium klonk een ‘goelag’ was, waar men onder bedreiging van marteling gedwongen werd tot meegalmen bij het harmoniumspel. Overigens niet gespeend van enige humor, vaak wordt met graagte ook nog eens benadrukt dat hun muzikale standaard nu eenmaal veel hoger lag dan die van de rest van het gezin.


Een soort van mythe dus die hoog staat op het lijstje van Nederlandse mythen die - gelukkig - met slechts weinig moeite te ontmaskeren is. Aan de hand van de gebruikte bron (zie in de linkerkolom) kunnen we kennis nemen van een genuanceerd beeld. Een nuance waaruit blijkt dat het harmonium zelfs voor een deel oorzaak is geweest voor het gensoverschrijdend kennisnemen van culturele uitingen buiten de vertrouwde muzikale grenzen van het protestants-christelijke erf.

 

Dissertatie Smelik  

De dissertatie van dr. Smelik is er een over de liedcultuur in een afgebakend tijdperk. Het tijdperk waarvoor de auteur gekozen heeft, komt in het kader van deze website wel heel mooi uit, de periode 1866 tot 1938. Dat is min of meer dezelfde periode als de bloeitijd van de harmoniumbouw.

In de Gids van 1871 schrijft J.A. Sillem dat door het gebrek aan vaardigheden om een muziek instrument te bespelen, naar zijn inschatting 90% van de toenmalige Nederlanders hun behoefte aan het genieten van muziek, maar op één manier konden vervullen: door zelf te zingen.
Een conclusie zoals Sillem opschrijft is slechts mogelijk als je gegevens verzameld hebt. Dus ook principieel achterom hebt gekeken. De conclusie beschrijft de voorafgaande geschiedenis. De gegevens van de Rotterdamse harmoniumbouwer Van der Tak & Co laat tenminste zien dat Sillem schreef op een keerpunt in de geschiedenis. Van der Tak begon in 1859 met zijn succesvolle bedrijf, dat tot in de 20e eeuw voortdurend in een stijgende lijn van succes heeft verkeerd.

Een onderzoek door mevrouw Van Dijk van veel later datum (1983) waarin inventarislijsten van boedels zijn bestudeerd. Gezocht is naar het aanwezig zijn van ‘vrijetijdsrelicten’ in deze lijsten. Vrij vertaald: De inventarissen van testamenten of openbare verkopingen worden uitgeplozen op de aanwezigheid van zaken welke als vrijetijdsbesteding in de inboedel aanwezig waren. Toetsinstrumenten – en dan vooral de piano – kwamen het meest voor als middel tot tijdverdrijf. Zij concludeerde ook dat “muziekinstrumenten vooral in de bovenste sociale lagen” gevonden werden.

     

Er blijkt er een essay te bestaan van rond 1800, waarin de emancipatie van de muziek uitvoerig besproken wordt, waarmee onder andere de conclusie van de hierboven genoemde onderzoeker van de inboedellijsten, bevestigd blijkt te worden.

Ondertussen hebben meer onderzoeken vorm gekregen. Zoals bijvoorbeeld “Het muziekleven in Noord-Brabant 1859-1914” en de diverse onderzoeken van mevrouw Van Dijk. Met deze onderzoeken is onomstotelijk aangetoond dat het aantal muziekinstrumenten in de tweede helft van de 19e eeuw ook onder de lagere sociale klassen toenam.

Met name blaas instrumenten werden in die jaren meer en meer populair. Dat valt onder andere af te lezen dat in menig stad en dorp fanfare-, en harmonieorkesten onststonden. Waarbij de interesse voor deelname groot genoeg bleek om voor (bijna) elke zuil een eigen orkest op te richten. We zagen in die jaren dan ook blaasorkesten van algemene, liberale, protestants-christelijke, rooms-katholieke en socialistische snit, al naar gelang de regio van het land.

Het bestaan van harmonie- en fanfarekorpsen op 'protestant-christelijke grondslag' maakt duidelijk dat een 'meetbare populatie' protestanten een blaasinstrument bespeelde. Het is bekend dat deze blaasensembles veelvuldig (stichtelijke) liederen speelden.  Op massale bijeenkomsten als zendingsfeesten en evangelisatiebijeenkomsten, landdagen en nationale feesten, werd de samenzang door een harmonie- danwel fanfarekorps begeleid.

In Groningen en in het oosten van Friesland hebben koperblazers op enkele plaatsen ook de samenzang tijdens de kerkdiensten begeleid. [1] In muzikaal opzicht werden de geijkte kaders dan ook grensoverschrijdend verkend. Daarmee werd ook duidelijk binnen de zuil geldende morele grenzen voor muziek niet zo maar kant-en-klaar vanaf de kansel afgekondigd konden worden.

[1] - Op de pagina "Koperblazers" in het menu 'Tienhoven' leest u daar ook meer over.

 

Rest van tekst is nog in voorbereiding.

 

 

 

 

 

Terug naar Literatuur