Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

update: 21-09-2012

 

Back to Builders page

 

x

Kotykiewicz

Giants and giants

thumb 01

 

 

Let op: De engelese editie van deze pagina toont méér foto's dan deze pagina.

 

Kotykiewicz in Wenen

 

Prof. dr. Krysztof Rottermund, in: Muzyka, 2001-4

SUMMARY Teofil Kotykiewicz and his company have been accorded very little attention in the literature devoted to the subject of harmonium building. Yet the harmony-producing company, started in Vienna in 1852 by Peter Titz and then taken over by his son-in-law Teofil Kotykiewicz (1849-1920), was one of the best establishments of its kind, not only in the Austro- Hungarian Empire and then in the Republic of Austria after the First World War, but in the whole of Europe.

Instruments produced by the company, which after the death of Kotykiewicz was managed by his sons, won medals and prizes at manufacturing and crafts exhibitions and were highly regarded by performers. The peak of the company's prosperity coincided with the period of the harmonium's greatest popularity, when the instrument was expected to have excellent prospects for the future.

The Kotykiewicz family built harmoniums of different sizes, from small one-manual ones, through the larger "drawing-room" models, to the concert - three-manual ones, with a pedal and many registers. Apart from building harmoniums, the Kotykiewicz family were also active members of various Polish organisations in Vienna. The article presents an outline of the activities of the Kotykiewicz family and their company, discussing also the features of the instruments they built.

Voor poolssprekende bezoekers staan twee artikelen van prof. Rotterdmund as Acrobat beschikbaar.

Przepraszamy, że nie języka polskiego kontroli. Ale mamy dwa artykuły w języku polskim. Możesz przeczytać plik Acrobat. :-)

Muzika-2001-4

Ruch Myzyczny-1996

Harmoniumnet als bron voor Wikipedia

Wikipedia toont nu een wiki pagina over Kotykiewicz, inclusief een verwijzing naar de hier boven gepresenteerde links naar pfd bestanden Bekijk de wikipagina hier

 

 

Al gedurende een groot aantal decennia - het begon meer dan een eeuw geleden - is deze harmoniumbouwer beroemd. De firma werd opgericht in 1852 door Peter Titz. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon Teofil Kotykiewicz (1849-1920) die op zijn beurt weer werd opgevolgd door zijn zoon Teofil Kotykiewicz (1880-1971).

We zetten wat feitjes op een rij.
Peter Titz werkte als meesterknecht bij Jakob Deutschmann.

uit: Orgelinstrumente Harmonium
Klaus Gernhardt / Hubert Henkel / Winfried Schrammek
Band 6 Musikinstrumenten Museum der Karl-Marx Universität Leipzig. 1983

Jakob Deutschmann

Piano, orgel en harmoniumbouwer. Geboren in 1795 in Lauben, gestorven op 11 maart 1853 in Wenen.
Woonde op het adres Laimgrube 125, sinds 1825 woonde hij op Laimbruge 32. Vanaf 1840 op het adres Lumbertgasse 821.
Haupt [1956, Helga Haupt, Studien zur Musikwissenschaft. 24. Band Graz - Wien - Köln 1960, S. 120-184] noemt drie nog bestaande orgels van zijn hand. In verschillende dorpen in het Noord-Westen van Rusland bevinden zich orgelregisters met doorslaande tongen, welke door Deutschmann aan de Russische orgelbouwers geleverd heeft.

 

Uit: Arthur W.J.G. ord-Hume
Harmonium. The history of the Reed Organ ans its makers. 1986

Deutchmann, Jakob, Wiestrasse 39 Vienna, Austria. Exhibited a melodium at the 1851 Great Exhibition in Londen, where he described himself as 'manufacturer'. An early apprentice of his was Peter Titz.

 

uit: Robert F. Gellerman
Gellerman's International Reed Organ Atlas, 1998

Deutschmann, Jakob. Laimgrube 32 in 1825, Lumpergasse 821 in 1840, Wienstrasse 39 in 1883, all in Vienna, Austria. Maker of seraphines and harmoniums. See Peter Titz.

 

Peter Titz:

from: Ord-Hume & R.F.Gellerman's Atlas:

Vienna, Austria. Titz was an apprentice with Jakob Deutschmann at Wienstrasse 39 in 1851 but began his own account by 1852 as a maker of harmoniums until his death in 1873 where the business was contined by his son in law Theofil Kotykiewicz at Straussengasse 18.

 

Vele jaren was de Kotykiewicz catalogus 1922 slechts bekend bij een enkeling. Op de laatste pagina's van deze catalogus een serie van enorme pedaalharmoniums met een bijzonder grote 'inhoud'. Het was dan weliswaar bekend dat er ook enkele exemplaren gebouwd waren. Echter, na de Tweede Wereldoorlog had niemand er een gezien.

O miraculum gloria

U begrijpt dat het kopje potjeslatijn is. Maar het laat zien hoe ik me voelde toen ik geïnformeerd werd dat enkele dagen geleden (begin oktober 2009) twee enorme boxpallets binnengereden werden bij een orgelbouwer. Op een geheime locatie. Niet echt geheim, maar ik mag het gewoon niet vertellen. In de boxpallets een volledig uit elkaar gehaald 3 manuaals pedaalharmonium. Met de indringende vraag: "Kan dit gerestaureerd worden?"

Staatsgeheim

Natuurlijk, na deze publicatie is het project net zo geheim als het geheim is dat mevrouw Obama Michelle heet. Echter, alle andere gegevens blijven voorlopig geheim. Natuurlijk zit ik ook te wachten op foto's van wat er binnengereden is. En jawel: die foto's heb ik inmiddels in mijn bezit. En ik durf de weddenschap aan dat vrijwel niemand zoiets ooit gezien heeft.

Maar, er is één belangrijk gegeven dat u moet weten: Het instrument is nu in goede en vertrouwde handen. Slechts enkelen weten nu van wie die vaardige handen zijn. U kunt me natuurlijk proberen uit te horen. Dat is makkelijker dan het klinkt. Ontmoet mij op de 4e etage van de parkeergarage, wees gekleed in een regenjas en trek mijn aandacht door luidruchtig te kuchen. Zorg er wel voor dat u een bruine enveloppe met 2000 euro moet overhandigen.

 

Waar gaat dit over?

Hier onder staan vier pedaalharmoniums, van 13 tot 21 spels. Van 2 manuaals tot 3 manuaals. Allen met zelfstandig pedaal.

13 ranks

Dit harmonium heeft 13 spel, 21 registers, waarvan 2 registers met pijpen (hout). 2 Manualen C-c4, Pedaal C-d1, 4 koppels, 3 voettreden, Grand Jeu met drie standen. Het orgel is deelbaar voor transport. Het topgedeelte met het pijpwerk kan eenvoudig verwijderd worden. Zonder het topdeel blijft er een bespeelbaar en volwaardig harmonium over. 569 tongen en 122 pijpen. De intonatie is voor een concertzaal (meer volume).

13 ranks

13 spel, 29 registers. 3 Manualen C-c4, pedaal C-d1, Percussion, Prolongement over het hele klavier en Prolongement-Automaat, 4 koppels, 4 kniezwellen. 693 tongen.

20 ranks

20 spels, 41 registers, 4 registers met pijpen, ( 2 x hout, 2 x metaal), 4 pedaalstemmen, 3 Manualen c-c4, pedaal C-d1, Percussion, Prolongement over het gehele manuaal, Prolongement Automat, 6 koppels, 5 kniezwellen, ingebouwde windmachine schakelbaar met een piston, 232 pijpen en 881 tongen.

21 ranks

21 spel, 41 registers, 4 stemmen met pijpen (metal) 1 spel met pijpen (hout), 3 Manualen 6 Octaves FF-f4 (op de niet verkleinde foto zien we dat manuaal III een kleiner toonbereik heeft, C-f4 !!), Percussion, Grand Prolongement, Prolongement-Automat, 6 koppelss, 5 kniezwellen, electrische windmachine (schakelbaar met piston). Total of 1325 toonbronnen. (Het is momenteel niet duidelijk op welk werk de pijpen staan.)

 

Restauratie?

Zodra het kan en het dus relevant is, zullen we meer informatie op deze pagina (en de engelse editie van deze pagina) plaatsen. Op dit moment weten we alleen maar dat het afgeleverd is bij de orgelbouwer en dat alles tot op het kleinste deel gedemonteerd is. Zelfs de kast was helemaal uit elkaar gehaald. Inmiddels is de opbouw van de kas onderhanden genomen. En jawel, daar heb ik foto's van. Maar ja, geheim hè?. Geduld, geachte lezen. Het komt nog wel.

Volgens de onvolprezen website van Fritz Gellerman kennen we deze catalogi:

  • Kotykiewicz, 5x8", 24 pp., 4 p. cover, 4 p. pricelist. 1922. Collectie Olthof.
  • Kotykiewicz, Teofil. Vienna. 24 pp., price list. Collectie CF (is nu: Saltaire Harmonium Museum now)

Inmiddels weten we ook dat het hier om twee edities van dezelfde catalogus gaat.

 

En 3mp 14,5 spels uit 1884

En nog een model. Nummer vijf in de rij. De afbeelding komt uit Zeitschrift für Instrumenten Bau [ZfIB] no. 10 (januari 1885) Dit exemplaar heeft alleen maar tongen. De pijptop is dus alleen een visueel effect.

 

1884 Kotykiewicz 13 rks 3mp

Dit instrument en een ander model worden genoemd in ZfiB januari 1885 and Zfib februari 1887. Er is ook een artikel uit het Poolse magazine "Ruch Muzyczny" (februari 1996) door dr. Krzystof Rottermund (Berlijn). Dit artikel werd vertaald en uitgebreid door Dick Sanderman en verscheen eerder in Vox Humana 12-01 en Vox Humana 12-02 ( 2001).

De duitstalige artikelen uit het ZfIB kunt u hier lezen als Acrobat

Click the logo to read the Acrobat file logo Acrobat

 

 

Artikel prof. dr. Krzystof Rottermund

Dr. Krzystof Rottermund (Berlijn) - Eerder verschenen in het Poolse muziektijdschrift Ruch Muzyczny (februari 1996) en met toestemming van de auteur vertaald, bewerkt en aangevuld door Dick Sanderman en gepubliceerd in Vox Humana 12-01 en 12-02.

 

Teofil Kotykiewicz

een poolse harmoniumbouwer in wenen

 

Teofil Kotykiewicz werd geboren in 1849 en overleed te Wenen op 17 februari 1920. Hij trouwde met een dochter van de orgel- en harmoniumbouwer Peter Titz (1823-1873), die op zijn beurt waarschijnlijk het vak had geleerd bij Jakob Deutschmann. Door zijn huwelijk met de dochter van Titz werd Kotykiewicz mede-eigenaar van de firma Titz. Na het overlijden van Titz, op 6 februari 1873, nam diens weduwe Anastasja aanvankelijk de leiding over. In 1878 kwam de leiding van het door Peter Titz in 1852 begonnen bedrijf volledig in handen van schoonzoon Kotykiewicz. Waarschijnlijk was Kotykiewicz bij Titz begonnen als leerjongen. Werkplaats en magazijn waren gevestigd aan de Stauengasse 18 in Wenen. De firma bediende zich van de aanduiding K.u.K. Hof-Harmonium Fabrik, waarbij K.u.K. staat voor Kaiserlich und Königlich.

Kotykiewicz was zeer actief in verschillende verenigingen en organisaties. Ook ondersteunde hij componisten die harmoniummuziek schreven. In 1893 was hij plaatsvervangend bestuurslid bij het genootschap van piano- en orgelbouwers in Wenen; in 1900 was hij binnen dezelfde organisatie lid van een commissie. Binnen het bestuur van de in 1893 gestichte vakopleiding voor instrumentenbouw was Kotykiewicz in 1900 tweede voorzitter en penningmeester. Bronnen uit de jaren 1909-1912 vermelden zijn naam opnieuw in diverse bestuursfuncties. In 1912 wordt hij ook genoemd als beëdigd expert op het gebied van orgels en harmoniums. In 1894 werd op initiatief van Kotykiewicz in Wenen een Verein der Harmonium-Musikfreunde opgericht, die na een reorganisatie in 1902 door professor Rudolph Glick werd geleid.

Ook was Teofil Kotykiewicz zeer actief binnen organisaties die de belangen van geëmigreerde Polen behartigden. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren in de hoofdstad van het toenmalige Oostenrijk-Hongarije enkele Poolse organisaties actief, zoals Sifa, Zgoda en Strzecha. De in 1872 gestichte Poolse vereniging Zgoda werd in 1892 gesplitst in een Poolse arbeidersbond Sifa en een Poolse maatschappelijke organisatie Lutnia (de luit). President van Lutnia werd Kotykiewicz, een van de ereleden was de Poolse dichter Kornel Ujejski. Bij Lutnia behoorden ook twee koren: een mannenkoor en een gemengd koor, en bovendien een theatergroep. Kotykiewicz was later ook een van de oprichters en tegelijk erelid van de Poolse vereniging Strzecha, die uit een samenvoeging van de verenigingen Zgoda en Lutnia ontstond. Destijds waren in Wenen veel Polen werkzaam, onder meer als arbeider, als industrieel, als koopman of als student. Zo studeerden hier Józef Beck, de latere minister van buitenlandse zaken van de republiek Polen, de latere filosoof Kazimierz Twardowski en de natuurkundige Marian Smoluchowski. Ook de schrijver Tadeusz Ritter woonde in Wenen. De Poolse journalist Grzegorz Smólski schreef in die tijd dat de Polen in Wenen modelbedrijven en -werkplaatsen bezaten, waartegen de Oostenrijkers nauwelijks konden concurreren. Als voorbeelden noemde hij de werkplaats voor harmoniumbouw van Teofil Kotykiewicz, de kunstgieterij van Hernik en vele anderen.

Na de dood van Peter Titz (1873) was Kotykiewicz een sleutelfiguur binnen de firma. Bij de wereldtentoonstelling van 1873 in Wenen kreeg de firma de Fortschrittsmedaille, in 1880 volgde tijdens de industrietentoonstelling in Wenen een Ehrendiplom, in 1881 een gouden medaille in Eger, in 1882 een Ehrendiplom in Triest, in 1891 een soortgelijk diploma in Praag. In 1894 vond in Lwów (Polen) een Allgemeine Landesausstellung plaats, waar vooral Poolse producten vertegenwoordigd waren. In de muziekafdeling van deze tentoonstelling werden instrumenten gepresenteerd van firma’s uit Polen (Śliwiński uit Lemberg, Drozdowski uit Krakau) en Poolse firma’s uit Wenen (Kotykiewicz, Pokorny). Kotykiewicz was aanwezig met de volgende harmoniums:

  • een harmonium met Janko-klaviatuur;
  • een salonharmonium, 3 spel, 12 registers;
  • een tweeklaviers salonharmonium met pedaal, 6 spel, 11 registers;
  • een concertharmonium, 6 ½  spel, 23 registers met percussion en prolongement;
  • een hoog model concertharmonium, 3 manualen en pedaal, versierd.

Van het kleine driespels salonharmonium zijn nog verschillende exemplaren bewaard gebleven, over de gehele wereld verspreid. Reeds eerder werd zo’n Kotykiewicz harmonium in de Vox Humana beschreven. De dispositie luidt:

Percussion  E Expression P Percussion
1 Cor Anglais 8 G Grand Jeu 1 Flute 8
2 Bourdon 16     2 Clarinette 16
3 Voix Celeste 8     3 Voix Celeste 8
O Forte     O Forte
S Sourdine pour 1        

                           
Kotykiewicz schijnt dit type te hebben geleverd in drie verschillende intonaties: voor huiskamer, salon en concertzaal. In de versie voor concertzalen is de klank zeer luid; opvallend krachtig is ook de percussion. [ noot: in de catalogus van Kotykiewicz is dit niet 'schijnt' maar dat staat concreet en uitgebreid in het voorwoord van de catalogus. fvdg]
Een door Kotykiewicz gebouwd concertharmonium werd op 3 december 1884 voor het eerst gepresenteerd in de beroemde Bösendorferzaal te Wenen. Het Zeitschrift für Instrumenten Bau [ZfIB] (nr.10, januari 1885) bericht hierover als volgt:

“Op uitnodiging van de keizerlijke en koninklijke hof harmoniumfabrikant Teofil Kotykiewicz waren kunstenaars en kunstvrienden samengekomen om de buitengewoon interessante demonstratie van een groots aangelegd, door bovengenoemde fabriek vervaardigd pedaalharmonium bij te wonen. Onder de concertgevers bevonden zich de heer Rudolf Bibl, keizerlijk en koninklijk hoforganist, Josef Labor, koninklijk hofvirtuoos te Hannover, L.A. Zellner, orgelvirtuoos, Carl Lustig, C. Kirschbaumer, Emil Rotter en de keizerlijk en koninklijk hofvirtuoos Anton Zamara (harp). Onze belangstelling gaat in de eerste plaats uit naar de dispositie van dit instrument, de samenstelling van de afzonderlijke registers en van de manualen onderling. Daarom vermelden we uit het programma alleen de door Labor met gebruikelijk meesterschap gebrachte a-moll fuga van Bach, de Hymne van Schubert voor harmonium en harp (Zamara, Zellner), Mendelssohn’s Andante voor harmonium en piano (Rotter en Weber) en ten slotte de door C. Lustig meesterlijk en echt muzikaal uitgevoerde vrije improvisatie over verschillende motieven met rijk geschakeerde registraties. Voor al het gebodene verdienen de bouwer en de uitvoerenden gelijkwaardige lof; het talrijk opgekomen publiek bracht de meesters deze lof terecht toe.

Spreken we nu over het instrument zelf. Het heeft (inclusief opbouw) een hoogte van 295 cm, een breedte van 147 cm en een diepte van 96 cm, 5 octaafs klavieren, 7 octaven toonomvang, 14 ½  spel, 3 manualen, percussion, pedaal (30 toetsen van C-f), 4 koppels, een generaal-koppeltrede en 2 kniehevels. In totaal bevat dit pedaalharmonium 824 tonen.
De registerindeling is als volgt:

manuaal I (witte registertrekkers)

1 Cor Anglais 8 1 Flûte 8
2 Bourdon 16 2 Clarinette 16
3 Dolce 4 3 Dolce 4
4 Viola 8 4 Viola 8
5 Voix Celeste 8 5 Voix Celeste 8
6 Quinte 5 1/3 (doorlopend 5 octaven)

manuaal II (rode registertrekkers)

7 Clairon 4 7 Fifre 4
8 Basson 8 8 Hautbois 8
9 Aeoline 16 9 Aeoline 16
    10 Musette 16
manuaal III (blauwe registertrekkers)
11 Fagot 8 11 Flûte Douce 8
12 Cello 16 12 Cello 16
13 Trombone 8 13 Trombone 8

pedaal (groene registertrekkers)

14 Soubasse 16    
15 Bourdon 8    

nevenregisters (witte registertrekkers)

  Expression   Grand Jeu
  Forte Manual II   Forte Manual II
  Forte Manual III   Forte Manual III
  Copula Pedal   Copula Manual I - II
      Copula Manual I - III
      Copula Manual II - III
  • Manuaal 1 bezit 6 spelen, waaronder een Quinte 5 1/3', die het instrument het karakter van de orgeltoon geeft.
  • Het tweede manuaal heeft 3 ½  spel (4', 8' en 16' toon), waarvan elk afzonderlijk register een ander klankkarakter bezit, in nabootsing van het genoemde orkestinstrument.
  • Het derde manuaal bevat 3 spelen (8', 16' en 8' toon), die eveneens verschillende karakters hebben, maar die zich van de registers der andere twee manualen onderscheiden doordat ze doorgaans helderder geïntoneerd zijn.

Als alle registers samen worden getrokken is de klankwerking van manuaal 1 vol en krachtig, het tweede manuaal doet denken aan het karakter van een houtblazersharmonie, de klank van het derde manuaal benadert het klankkarakter van strijkinstrumenten. De manualen zijn zo dicht bij elkaar geplaatst dat de speler moeiteloos met één hand op twee manualen tegelijk kan spelen. De registers zijn in twee rijen geordend en zijn gemakkelijk bereikbaar.

Doordat twee manualen naar keuze, en ook alle drie, door middel van de koppels ook tijdens het spel met elkaar verbonden kunnen worden, bezit de speler de mogelijkheid om talloze combinaties van klankeffecten te maken.
De pedaalkoppel verbindt zowel het eerste manuaal als - bij het volle werk - de beide andere manualen met het pedaal.
De generaal-koppeltrede (voor de rechter voet) schakelt alle koppels tegelijk in of uit en verbindt het pedaal met de manualen. Deze trede werkt onafhankelijk van de handregistratie.

Van de beide kniehevels bedient de rechter het Grandjeu (d.w.z. deze schakelt alle registers van alle manualen in), de linker bedient het Forte. Men kan deze kniehevels gebruiken voor plotselinge effecten, of naar believen langere tijd ingeschakeld laten. In dat geval vervangt de rechter kniehevel het Grandjeu-register. Door een onmerkbare beweging van de knie naar boven wordt het Grandjeu weer uitgeschakeld.

Bij obligaat pedaalspel is een tweede persoon nodig om de windvoorziening te verzorgen middels de links aangebrachte ijzeren hevel. De functie van de balgen wordt door windwijzers gecontroleerd.
Wat de uitvoering en voltooiing van het registerkarakter betreft, kunnen wij het algemeen erkende meesterschap van Kotykiewicz slechts volmondig beamen. Een verheven stemming bewerkstelligen de registers van het eerste manuaal, de overige registers brengen de geïmiteerde orkestinstrumenten in edele en zuiver pregnante kleuring duidelijk tot klinken, tot uiteindelijk de volle macht van het Grand Jeu met koppels en pedaal bij de luisteraar een imposante en majestueuze indruk nalaat.

Wij beschouwen dit nieuwste werk van de Oostenrijks-Hongaarse harmoniumgrootmeester als een van de meest volkomen tongeninstrumenten die wij ooit gehoord hebben. Daarmee geven wij, met genoegen, de algemene opinie weer; het verheugt ons, in Kotykiewicz een van de weinige vakgenoten te erkennen die grote waarde hecht aan de eer en perfectionering van onze beroepsgroep.

Twee jaar later, in 1886, presenteerde Kotykiewicz zijn nieuwste instrument: het Grosse Konzertharmonium. Het Zeitschrift für Instrumentenbau bericht hierover (no 13, februari 1887):

Een groot concertharmonium met 21 spelen, 41 registers, 3 manualen met een toetsomvang van 5 octaven en een toonbereik van 8 octaven, percussion, pedaal (30 toetsen) van C tot f, 4 koppels, 3 drukknoppen, een generaaltrede en 2 kniehevels, is zojuist voltooid in de fabriek van Teofil Kotykiewicz te Wenen, Straussengasse 18 en kan daar door geïnteresseerden bezichtigd worden. De registerordening is als volgt:

 

Manuaal I (witte registertrekkers)

1 Cor Anglais Percussion 8 1 Flûte Percussion 8
2 Bourdon 16 2 Clarinette 16
3 Dolce 4 3 Dolce 4
4 Viola 8 4 Viola 8
5 Voix Céleste 8 5 Voix Céleste 8
6 Quinte 5 1/3 (doorlopend)    
7 Flageolet 2 (doorlopend)    

Manuaal II (rode registertrekkers)

8 Clairon 4 8 Fifre 4
9 Basson 8 9 Hautbois 8
10 Aeoline 16 10 Aeoline 16
11 Fugara 8 11 Fugara 8
    12 Baryton 32
Manuaal III (blauwe registertrekkers)
13 Clarino 4 (doorlopend)
14 Diapason 8 14 Diapason 8
15 Cello 16 (doorlopend)
16 Bariton 8 16 Hautbois 8
17 Flûte 8 (doorlopend)
18 Jeux Doux (doorlopend)
Pedaal ( groene registertrekkers)
19 Subbass 16    
20 Bourdon 8    
21 Cornett II    
Nevenregisters (wit, een eigen groep vormend)
  Koppel I - II   Sourdine pour I
  Koppel I - III   Expression
  Koppel II - III    
  Forte Manuaal II   Forte Manuaal II
  Forte Manuaal III   Forte Manuaal III
  Drukknoppen
  Koppel Ped - I   Grand Jeu
      Combinatie
  Kniehevel Forte   Kniehevel Grand Jeu
  Voet: Generaal trede    

Daarna geeft het “Zeitschrift für Instrumentenbau” nog een beschrijving van de klank, die grotendeels overeenkomt met de beschrijving van het instrument uit 1884/85. Nieuw is de opmerking dat de toetsdiepgang voor het onderklavier 9 mm is, voor de beide andere manualen 8 mm. De speelaard is licht en elastisch, zelfs als de drie manualen aan elkaar gekoppeld zijn. Ook over de balgen wordt iets meer verteld. De windvoorziening bestaat uit vier schepbalgen, een grote magazijnbalg en een kleine regulateur voor het pijpwerk. Het trappen vraagt slechts weinig kracht; een langzame beweging is voldoende, zelfs bij het volle werk. Bij obligaat pedaalspel is een tweede persoon nodig voor de windvoorziening; daartoe is rechts een ijzeren hevel aangebracht, die de magazijnbalg vanzelf opent.

Zoals de meeste instrumentenbouwers hield ook Kotykiewicz zich bezig met de handel in muziekinstrumenten (harmoniums, wellicht ook piano’s); het is niet uitgesloten dat hij sporadisch ook kleine pijporgels bouwde. Uit het jaar 1910 is een nauwkeurige beschrijving bewaard gebleven van een Salon-Orgelharmonium van Kotykiewicz, dat ook normale orgelpijpen bezat. De firma Kotykiewicz gaf eigen catalogi en folders uit, en vervaardigde ook speciale harmoniums voor de tropenlanden.

In 1912 verschijnt een artikel over Kotykiewicz in Das Pianoforte (no.1a), waarin melding wordt gemaakt van een tweeklaviers concertharmonium.
De beide manualen hebben een omvang van 6 octaven (F-f), percussion, groot prolongement en prolongement-automaat.

tongenplaten

 

Bovenstaande afbeelding toont de middelste octaafplaat van het register Flûte met de normale a van 870 enkelvoudige trillingen. De grote tong is de zestienvoets C van de Subbas met 65 enkelvoudige trillingen. Die kleine tong rechts (naast de subbas tong, red.) is de 1/8 voets c van het register Fifre met 8272 enkelvoudige trillingen.
Door de grote omvang van zes octaven, waarbij alle registers in het hoogste en laagste octaaf zijn uitgebouwd (niet repeterend!), bereiken de Bourdon en Aeoline het gebied van de 32', terwijl Fifre en Dolce het gebied van 1/8 voet bereiken. Bij een stemtoonhoogte van a=870 maakt de laagste tong F in dit harmonium 43 enkelvoudige trillingen, terwijl de hoogste tong 11056 enkelvoudige trillingen per seconde maakt.
Het grote prolongement werk door alle zes octaven voor de registers Basson/Hautbois, als afzwakking daarvan de beide Prolongement doux, verder op de eveneens over zes octaven uitgebouwde dubbelkorige, zwevende Aeoline 8'.
De manuaalkoppel is gedeeld in bas en discant en kan door drukknoppen, die tussen de manualen liggen, worden in- en uitgeschakeld. De deling van bas en discant ligt bij e-f.

Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat Kotykiewicz in 1912 uitging van een stemtoonhoogte van a=870, hetgeen gelijk staat aan a1=435. Het eerder genoemde kleine salonharmonium, vermoedelijk daterend van rond 1900, heeft echter een stemtoonhoogte van 440,5.

Teofil Kotykiewicz overleed in Wenen op 17 februari 1920. Twee van zijn zoons waren op dat moment al binnen de firma werkzaam: Teofil junior (1880-1971) en Emil (geboren 1882). Teofil Kotykiewicz junior was sedert ca. 1909 procuratiehouder van de firma. Net als zijn vader was ook hij zeer actief in organisaties van instrumentenbouwers. In het Verband der Klavierfabriken Österreichs (opgericht 1921) was hij lid van de arbitragecommissie, in het Reichsverband der Musikinstrumenten- und Sprechmaschinen-Erzeuger und Händler Österreichs (1923) was hij notulist.
Tegen het eind van de jaren twintig maakte de firma harmoniums van verschillende grootte, ook drieklaviers instrumenten met orgelpijpen, instrumenten met een “rein-mathematischer Stimmung”. Uit het jaar 1932 is informatie bewaard gebleven waaruit blijkt dat de firma harmoniums vervaardigde voor wetenschappelijke doelen, met andere stemmingen, bijvoorbeeld naar het systeem van Brandsma, Krohn, Schwanzara, Clemens (Indische stemming met 20 tonen per octaaf).

De firma Kotykiewicz heeft nog bestaan tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, maar haar bloeitijd lag rond het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, dus in de tijd waarin het harmonium bijzonder populair was.
De in Wenen gevestigde Poolse firma Teofil Kotykiewicz behoorde, naast gerenommeerde harmoniumbouwers als Debain, Mannborg, Hofberg en anderen tot de beste bouwers.

 

André van Duin op harmoniumnet?

Ja, inderdaad. In het onderstaande filmpje op Youtube zien we Van Duin een "orgel" bespelen. Maar, ik ben er op goede gronden vrijwel zeker van dat we hier te maken hebben met een harmonium van Kotykiewicz.

Ter vergelijking met het filmpje een afbeelding van een huiskamer instrument van deze bouwer. En daarbij valt op dat de bouwer zijn naam nogal "groot" in een zwart kader op de muzieklessenaar heeft geplaatst.

 

En vergelijk dit met het Youtube filmpje:

http://www.youtube.com/watch?v=VO5YQsJ8aHk&feature=player_embedded