Menubalk Tienhoven
 

Update: 25-07-2011

 

Terug naar Historie

 

Voorlopers in expressie

 

1810 Orgue-Expressif

1815 Aeoline

1820 Aeolodikon

1823 Physharmonica

 

 

English version of this page

Aeoline (ca.1814-1816) van Bernhard Eschenbach

© 2009 Frans van der Grijn

Een Aeoline van Eschenbach is te vinden in de collectie van het Händel-Haus in Halle. Het instrument is niet meer compleet, de bovenbouw is verdwenen. Dit exemplaar werd gebouwd met een "dubbelfunctie", namelijk als secretaire. Dit instrument bevat één rij tongen van 8 voetstoon.

Aeoline Eschenbach

De relatief grote rechtopstaande schepbalgen met een afmeting van 420 x 1425 mm hebben elk een inhoud van 27 dm3 (27 liter) en worden met de pedalen bediend. De magazijnbalg (55 x 470 x 990 mm) ligt onder het klavier.

De mensuur maten en klank van het instrument laten zien dat dit instrument eigenlijk een Aeolodikon is. Het is duidelijk dat waar Eschenbach zijn instrument inbouwde in secretaires, piano's of andere meubelstukken hij de naam Aeoline gebruikte. Als zelfstandig instrument gebruikte hij de naam Aeolodikon. Het museum Händel-Haus waardeert dit instrument als een "vroeg exemplaar" mede op grond van de technische uitvoering en het ontbreken van het 16' register in de discant.

Tekening van de balgen

Aeoline balgen   Vleugel Aeoline
Een tekening van de balgen in de Aeoline   Een combinatie van een Pyramide-vleugel en een Aeoline

N.B. Het hieronder volgende gedeelte van de pagina kunt u downloaden als een printbare pagina: Acrobatbestand

De uitvinder van de Aeoline

Bernhard Eschenbach (* 1767; † 1852) was een Beierse boekhouder [Rentamtmann] die zich ook bezig hield met het ontwikkelen van muziekinstrumenten gebaseerd op de doorslaande tong. Hiermee haakte hij in op de in Duitsland al geruime tijd aanwezige discussie over nieuwe mogelijkheden in muziekinstrumenten.

Eschenbach heeft het instrument uitgevonden, ontwikkeld en ontworpen. Het bouwen van de instrumenten heeft hij overgelaten aan zijn neef Johan Caspar Schlimmbach. Schlimbach werd in Wenen opgeleid tot orgelbouwer, wat terug te zien is in de technische details in de door hem gebouwde instrumenten.

De datering van de instrumenten

Er is in de literatuur nog al wat te doen over de datering van de uitvinding van de Aeoline en de opvolger Aeolodikon. Dit zal met name veroorzaakt zijn door het vastgestelde gegeven dat de eerste schreden op het pad van de doorslaande tong in de periode tot ca. 1830 voornamelijk gezet werden in het Duitse taalgebied. Grenié met zijn orgue-expressif staat eenzaam als enige Fransman met een doorbraak op dit terrein. In veel literatuur klinkt dan ook veel nationalisme door, wat vaak leidt tot het verdoezelen van jaartallen of soms nog erger. Verdin stelt niet geheel voor niets in zijn dissertatie dat Alphonse Mustel in zijn overzicht van de geschiedenis niet overmand werd met nationalistische propaganda, maar de pioniers uit Duitsland op waarde ingeschat heeft. Gewapend met deze kennis is het niet onverwacht dat hierna een wat meer uitgebreide studie naar jaartallen en uitvindingen wordt beschreven. Her en der worden stevige noten gekraakt.

Uit de literatuur

Ord-Hume schrijft in zijn boek Harmonium, the history of the Reed Organ and its makers":

"Bernard Eschenbach gebruikte doorslaande tongen in zijn Eolodicon van 1800, waarvan een beschrijving is gepubliceerd in Le Breton, no 164, van 13 december 1827"

"Bernard Eschenbach used free reeds in his Eolodion of 1800, a description of which appreared in Le Breton, no 164, of 13 December 1827."

Ord-Hume citeert uit het krantenbericht:

"Kortgeleden heeft de heer Eschembach (sic), zijn idee om de in de Eolische Harp en Guimbarde gevonden principes, te gebruiken in zijn eolodicon om naar believen de geluidstrillingen op te wekken door middel van een windvoorziening. Niet met behulp van gespannen snaren, maar met metalen lamellen, aan één zijde gefixeerd en vrij bewegend aan de andere zijde." [1]

Recemment, M. Eschenbach, dans sons eolodicon, a imagine, en trouvant le principe de sa découverte dans la harpe d’Eole et la guimbarde, de produire a volonté les vibrations sonores par un soufflet employé a faire vibrer, non des cordes tendues, mais des ressorts métalliques fixes par une extrémité et libres de l’autre.

Hier geciteerd in de grammaticaal verbeterde versie in: Joris Verdin: "Het harmonium", dissertatie Leuven, 2002 (en met verbetering van de spelfout in de naam van Eschenbach.)

"mais des ressorts métalliques fixes" kunt u hier lezen als een vrij letterlijke vertaling van het Duitse "Federn", ("veren") in die jaren in Duitsland de gangbare naam voor een doorslaande tong.

Het genoemde jaartal is genoemd in Ord-Hume, maar niet onderbouwd met feitenmateriaal. Verdin neemt zonder nader commentaar het citaat uit Ord-Hume over. Gezien de aanzienlijke tijdsspanne van 26 jaar tussen de datum van publicatie (1827) en het veronderstelde jaar van uitvinding (1800) lijkt een nader bronnen onderzoek gewenst. Alleen al daarom leg ik dit krantenbericht naast de woorden van Alphonse Mustel. Omdat ik op basis van onderzoek van meerdere bronnen van mening ben dat de schrijver in Le Breton er behoorlijk naast zit. 
Belangrijk is in dit verband, te weten dat de hierna genoemde instrumenten elkaar opvolgen en telkens een verbetering van het voorgaande instrument vormen. 

Mustel noemt de Organo-Violine, waarover hij schrijft:

"1814 Organo-Violine, instrument met doorslaande tongen, met een omvang van zes octaven, gebouwd door de Beierse bouwer Eschenbach uit Königshofen." [2]

"1814 Organo-Violine instrument à anches libres de six octaves produit par le facteur bavarois Eschenbach de Koenigshofen."

Vervolgens noemt Mustel de Aéoline:

"1816 Aéoline, of Eoline of Elodion, namen gegeven aan een klavierinstrument met doorslaande tongen, uitgevonden door de bouwer Schlimmbach uit Ohrdruff. Dit is een orgue-expressif van klein formaat." [3]

"1816 – Aéoline, ou Eoline, ou Elodion, noms donnés à un instrument à clavier et à anches libres inventé par le facteur Schlimbach d’Orhrdurff. Cést un orgue-expressif  de petite dimension."

Aansluitend noemt Mustel:

"1820 Aéolodicon ou Elodicon ou Eolodicon. Instrument met metalen lamellen (=tongen) gebaseerd op het gegeven van de de Organo-Violine van Schlimmbach, geperfectioneerd door Voigt uit Schweinfurt. Dit instrument was voorzien van een windvoorziening met twee schepbalgen en magazijnbalg." [4]

"1820 Aélodicon, ou Elodicon ou Eolodicon. Instrument à lames métalliques construit sur la donnée de l’Organo-Violine d’Eschenbach et de l’Aéoline de Schlimbach, perfectionné par Voigt de Schweinfurt.
Il était pourvu d’une soufflerie à deux pompes  et réservoir."

Over de Aéoline schrijft Ord-Hume als reactie op het krantenbericht over de Aélodicon in Le Breton het volgende over de Aéoline:

"Het werk van Eschenbach inspireerde zijn neef, de piano- en orgelbouwer Johan Caspar Schlimmbach om zelf een klavierinstrument te bouwen met metalen tongen. Dit was in 1810. Schlimmbach's orgel was ongebruikelijk in de zin dat de schepbalgen bediend werden door de knie van de speler. Hij noemde dit instrument Aeoline." [5]

"Eschenbach's work inspired his cousin, the piano and organ-builder Johann Caspar Schlimbach, to make his own keyboard instrument containing metal reeds. This was in 1810. Schlimmbach's organ was unusual in that the bellows were operated by the knee. He called the instrument the Aeoline."

Vervolgens schrijft Ord-Hume over een vroeger instrument met de naam Uranion het volgende:

"Een andere Buschmann, Jean David (1751-1852), bouwde soortgelijke instrumenten, waaronder een dat leek op de Melodeon ontwikkeld door Dietz. Echter, het verschilde in één belangrijk detail, namelijk dat het beschikte over de mogelijkheid om crescendo en diminuendo te creëren. J. D. Buschmann noemde zijn instrument Uranion en een beschrijving van het instrument werd gepubliceerd in Allgemeinde musikalische Zeitung, 12e jaargang, Nr. 30, p. 469. 1809." [6]

"Another Buschmann, Jean-David (1751-1852), made similar instruments including one which resembled the Melodeon created by Dietz. However, itt deffered in one important detail, namely that it had the ability to produce crescendo and diminuendo. J.D. Buschmann called his instrument the "Uranion" and a description of it was published in Allgemeine musikalische Zeitung, 12th year, No. 30, p 469, 1809."

Overigens benoemde Ord-Hume in zijn lijst met instrumenten voorafgaand aan het harmonium, de Uranion als een uitvinding uit 1810. [7]

Jackson schrijft in Harmonious Triads:

"In 1817 neemt de instrumentenbouwer Johan David Buschmann uit Frederichroda deel aan een reizende tentoonstelling waarin hij zijn twee nieuwe muziekinstrumenten exposeert, de uranion en de terpodion. {97}" [8]

"In 1817 the instrumentmaker Johan David Buschmann of Frederichroda embarked upon a tour exhibiting his two new musical instruments with reed pipes, the uranion and the terpodion. {97}"

Jackson citeert in zijn voetnoot {97} uit het werk van Curt Sachs [9]. Tegelijk valt op dat Jackson hier de Duitse variant van de voornamen gebruikt. Gezien de locatie van Frederichroda in de nabijheid van Gotha in Midden-Duitsland is het in zekere mate bevreemdend dat Ord-Hume de Franse variant gebruikt, in de wetenschap dat Ord-Hume niet of nauwelijks franstalige bronnen noemt in zijn literatuuropgave.

De namen van de instrumenten en de jaartallen tollen om elkaar heen als waren zij in een Duitse [10] wals met elkaar verwikkeld. Hetzelfde speelt zich af met de namen van de betrokkenen: Bernhard Eschenbach (uitvinder), Johann Caspar Schlimmbach (technische uitvoering en bouw); Johann Michel Voit [ook: Voigt], orgelbouwer en degene die de uitvinding perfectioneert.

Jackson vervolgt dan zijn bovenstaande citaat als volgt:

"Gedurende zijn reis naar Königshafen, ontmoette hij Bernhard Eschenbach, een Beierse boekhouder, die rond 1815 een instrument met doorslaande tongen uitgevonden had dat hij Aeoline noemde. Eschenbach's neef, de instrumentenbouwer Johann Casper Schlimbach, bouwde het instrument en plaatste de tongen (van Eschenbach) ook in een orgel in Stadt-Lauringen in de omgeving van Schweinfurt. De Schweinfurter orgelbouwer Johann Michael Voit verbeterde de Aeoline en noemde zijn vinding de Aeolodikon. Aeolines (en Aeolodikons die essentieel hetzelfde instrument zijn) waren orgelachtige instrumenten, waarbij de tonen opgewerkt worden door middel van balgen, bediend door de knie of voet van de bespeler, waardoor metalen tongen gingen vibreren."

"During his trip to Königshafen, he met up with Bernhard Eschenbach, a Bavarian accounts official, who around 1815 had designed a free-reed instrument which he called the Aeoline. {98} [11] Eschenbach's cousin, the instrument maker Johann Casper Schlimmbach, manufactured the instrument and applied the reeds to an organ in Stadt-Lauringen near Schweinfurt {99}. [12] The Schweinfurt organbuilder Johann Michael Voit improved upon Eschenbach and Schlimmbach's Aeoline, calling his invention the Aeolodikon. {100}. [13] Aeolines (and Aeolodikons, which are essentially the same instrument) were organlike instruments, in which the tones were elicited by a bellows, activated by the performer's knee or foot, setting metal reeds om vibration. {101}" [14]

Vatten we Myles W. Jackson samen, dat is dit het resultaat:

Rond 1815 ontwikkelde Eschenbach (na een langere voorbereiding) de Aéoline. Hij liet deze bouwen door zijn neef Johann Caspar Schlimmbach, een instrumentmaker. Aansluitend heeft Johan Michel Voit, een orgelbouwer, de uitvinding geperfectioneerd en het instrument voorzien van de naam Aeolodikon.

In het artikel genoemd in noot 9 staat een verbluffend heldere uitleg waaruit duidelijk blijk dat het uitpluizen van de geschiedenis van de voorlopers van het harmonium een titanenstrijd is. Daarom integraal een stukje van de tekst van Sachs, hier geciteerd uit een artikel van prof. dr. Christian Ahrens [15]

"De talrijke instrumenten op basis van toonopwekking door middel van doorslaande tongen, die sinds 1780 in Midden-, Noord-, West- en Oost-Europa gebouwd werden [...], waren in het jaar 1822 in Berlijn [...] zo totaal onbekend, dat instrumentenbouwers zich in alle onbevangenheid konden wijden aan de uitvinding van de Aeoline. Ja, zelfs dat niet eenmaal de daartoe geëigende instantie, voor het gehele land maatgevend en derhalve goed georïentieerde Keuringscommissie (Prüfungskommission) [...] van het bestaan van welk instrument met doorslaande tongen, anders dan het Russische "Flötenuhr" (speeldoos, fvdg) niets wist.

Gezien dergelijke getuigenissen, moet men dan toch aannemen, wat historici en ethnologen niet graag toe zullen willen geven, namelijk de spontane, onafhankelijke en gelijktijdige uitvinding op verschillende locaties. In de talrijke pogingen met doorslaande tongen, die rond het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw ondernomen werden, heeft het er alle schijn van dat daadwerkelijk een causaal verband te bestaan: De doorslaande tong heeft, zoals men dat zegt, "in de lucht gehangen".

"Alle die zahlreichen Tonwerkzeuge vom Typus der durchschlagende Zunge, die seit 1780 in Mittel-, Nord-, West- und Ost-Europa gebaut wurden, [...], waren im Jahre 1822 in Berlin [...] so gänzlich unbekannt, daß Instrumentenbauer sich in völliger Unbefangenheit and die Erfindung der Aeoline machen konnten, ja, daß nicht einmal die zuständige, für den ganzen Staat maßgebende und sonst recht gut orientierte Prüfungskommission [...] von der Existenz irgendeines  Freizungenwerks außer er russischen Flötenuhr etwas wußte!

Angesichts eines solchen Zeugnisses wird man das annehmen müssen, was Historiker und Ethnologen nu ungern annehmen, nämlich die spontane, unabhängige und gleichzeitige Erfindung an verschiedene Stellen.Zwischen den zahlreichen Versuchen mit freischwingenden Zungen, die Ende des 18. und Anfang des 19. Jahrhunderts vorgenommen wurden, scheint in der Tat nu ein bedingter Konnex zu bestehen:  Die Durchschlagzunge hat, wie man sagt, „in der Luft gelegen."

Jackson motiveert en vat dit „in der Luft gelegen“ samen in een stelling over de sfeer in de wereld van de muziek in de vroege jaren van de 19e eeuw:

"Het Duitse publiek stelde zich niet langer tevreden met de typen instrumenten in de 18e eeuwse hoven en kerken. Romantische expressie werd de focus van het publiek. Het publiek wenste niet meer vermaakt te worden, zij wilden nu geraakt worden." [16]

"The German public could no longer be satisfied with the type of instruments played in early and mid-18th century courts and churches. Romantic expression seemed to be the key.
Audiences did not want to be entertained; they now wished to be moved."

Conclusie

De Aeoline is rond 1815 uitgevonden, en is de feitelijke voorloper van de Aeolodikon welke op een andere pagina in detail besproken wordt. De stelling van Ord-Hume - en door Verdin onderschreven,dan wel niet weersproken - dat Eschenbach reeds in 1800 een Aeolodikon ontworpen heeft steunt niet op feitelijke informatie.

 

Noten:

[1] A.W.G. Ord-Hume: “Harmonium” p. 23
[2] A. Mustel: “L’Orgue Expressif ou Harmonium 1903, p. 60
[3] A. Mustel: ibid. p. 60
[4] A. Mustel: ibid. p. 60
[5]Ord-Hume: ibid. p. 23.
[6] Ord-Hume: ibid. p. 24
[7] Ord-Hume: ibid. Appendix 3, p. 247
[8] Myles W. Jackson: Harmonious Triads, p. 99
[9] Curt Sachs: "Zur frühgeschichte der durchschlagende Zunge" in: Zeitschrift für Instrumentenbau 33, jrg. 1912-1913
[10] Wikipedia : Later bekend geworden onder de naam “Weense wals”
[11] Jackson: ibid. p. 99, voetnoot 98: Heyde, Herbert: Händel-Haus Halle, p. 447
[12] Jackson: ibid. p. 99, voetnoot 99: Gleichmann, 1820 - "Uber die Erfindung der Aeoline oder des Aeolodikon" Alg. musikalische Zeitung 22: col. 505-508 (integrale tekst zie pagina Aeolodikon)
[13] Jackson: ibid. p. 99, voetnoot 100: Buschmann, Gustav Adolf. 1988: "Hundert Jahre des Harmoniumbaues und andere Zungeninstrumente, 1810-1910. In: Das mechanische Musikinstrument 12:8-9
[14] Jackson: ibid. p. 99, voetnoot 101: Sachs, Curt, 1913: "Real-Lexikon der Musikinstrumente, zugleich eine Polyglossar für das gesamte Instrumentengebiet. Berlin, J. Bard.
[15] Christian Ahrens: Zur frügeschichte der Instrumente mit Durchschlagzungen in Europa“ in: Michaelsteiner Konferenzberichte Band 62: Harmonium und Handharmonika.  Stiftung Kloster Michaelstein, 2002
[16] Jackson: ibid. p. 97

 

Zeitschrift für Instrumentenbau; Jahrgang 23; Band 23, 1902, S. 60 21-10-1902

Ein altes Harmonium mit merkwürdigen Zungenstimmen.

Der Orgelbaumeister Christian Gerhardt in Boppard am Rhein erhielt im Laufe dieses Sommers ein altes Harmonium in Reparatur, das durch die eigenthümliche Form und Konstruktion seiner Zungenstimmen bemerkenswerth ist. Da das Instrument ob dieser Eigenthümlichkeit sicherlich manchen Fachmann interessiren dürfte, wenn auch nur als Kurosität, so lassen wir hier eine Beschreibung mit Zeichnung, die uns Herr Gerhardt freundlichst zur Verfügung gestellt hat, folgen.

aeoline zunge

Das Instrument, vermuthlich eine alte Arbeit aus dem Kloster Marienthal bei Geissenheim oder Nothd-Gottes bei Rüdesheim, hat Zungenstimmen in länglicher Hufeisenform. Sie bestehen aus einem gebogenen dicken Eisendrahte (verg. Abbildung), an dem im Punkte a die Stahlzunge eingenietet ist. Die Stimmen sind einzeln für sich in die Windlade eingelegt, und die Taste bildet das Ventil. Der Ton ist kräftig, nur in den tiefen Oktaven rauscht es beim Anschlagen der Taste, weil die Zungen nicht so genau aufgepaßt sind, wie man das heute findet. Registerzüge sind keine vorhanden, das Instrument hat nur ein Spiel 8‘, vom Contra F bis viergestrichenen c. Im Diskant ist nog ein 16 Fuß vorhanden, der mit einem Kniehebel zum An- und Abstellen versehen ist. Zum Abstellen des 16’ist ein großes Ventil angebracht, da die Zungen verschließt. Die Einrichtung des Gebläses ist aus der beistehenden Durchschnittskizze zu ersehen.

aeoline

 

 

 

Terug naar boven